Opstaan voor jou

Johannes 20: 1-18

Johannes 20: 1-8 | Opstaan voor jou
april 20, 2025
Andra Day
Johannes 20: 1-18
Marianne Paas
Gebruik in de dienst: na het Kyrië
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: Op welke momenten in jouw leven had je echt geen zin om op te staan?
Vraag 2: Wat hindert je vandaag de dag om op te staan, te vechten voor het leven?
Vraag 3: Wat helpt jou om óm te keren? Wat heb jij daarvoor nodig?
Vraag 4: Wanneer ben je hoopvol en wanneer niet of minder?

‘Opstaan voor jou’

‘Wil je niet opstaan, blijf je maar liggen, moet je maar weten wat ervan komt…’ Zingend kwam mijn vader vroeger de trap op… Het klonk best vrolijk, maar de ondertoon was niet mis te verstaan. Als je niet opstaat, dan komt het kennelijk niet goed.

Niet zo eenvoudig. Om op te staan. Ja, als je ’s morgens uitgerust wakker wordt, fit bent, zin in de dag – dan is opstaan goed te doen. Maar zo is het niet altijd. Je hebt niet altijd zin om op te staan… er kan genoeg zijn in een mensenleven waardoor de moed je ontbreekt. Waardoor je veel liever wegkruipt, diep onder de dekens. Niets zien, niets horen, niets voelen. Vooral niets voelen.

Als Maria op die vreemde morgen in alle vroegte in de tuin komt, huilt haar hart, huilt haar ziel. Het is nog donker, vertelt de evangelist ons. En ja, het is nog donker, ook in haar. Dat het graf leeg is, maakt haar alleen maar nóg verdrietiger. Het duurt wel even voor zij gaat inzien dat er iets heel anders aan de hand is dan zij denkt. Daarvoor moet zij zich omdraaien, zich omkeren. Niet één keer, maar zelfs twee keer. Echt omkeren dus.

Een nieuw begin kunnen maken, een nieuw begin kunnen zien vraagt een andere visie, een andere blikrichting. Maar vooral openheid. Openheid om je te laten troosten. Openheid om te vertrouwen op de stem die tegen je zegt: ‘Ik ben opgestaan voor jou. En Ik weet hoe moe je bent, Ik weet hoe gebroken jij je voelt, maar Ik ben opgestaan voor jou en mét jou gáán we ervoor… Voor het leven. Voor de liefde. Bergen zullen we verzetten.’

Andra Day schreef haar lied ‘Rise Up’ als een bemoediging voor iedereen die ervaart dat het alleen niet gaat. Dat we elkaar nodig hebben om op te staan. Tegen haat. Tegen onrecht. Tegen de leugen. Dat we elkaar nodig hebben om op te staan en bergen te kunnen verzetten. Samen vechten we ons er doorheen. Door de pijn, door het verdriet. Alles wat we nodig hebben is hoop, zingt ze – en daarvoor hebben wij elkaar.

Pasen gaat voluit over opstaan. Over opstandigheid tegen alles wat de dood aanricht. De Opgestane zelf gaat ons voor, roept ons, reikt ons de hand, noemt ons bij onze naam: ‘Sta op, met Mij. Wees niet bang!’

Share:

Johannes 20: 1-18

Opstanding

1Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10De leerlingen gingen terug naar huis.

11Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.