Zien

Exodus 6: 2-8 en Lucas 13: 1-9

Exodus 6: 2-8 en Lucas 13: 1-9 | Zien
maart 23, 2025
Adrian Snell
Exodus 6: 2-8 en Lucas 13: 1-9
Gert Scholten
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: Als je zegt: ik houd mijn ogen gericht op de Heer, wat bedoel je dan?
Vraag 2: Als je in de psalm (25) leest ‘hij bevrijdt mijn voeten uit het net.’ Hoe voelt dat voor jou? Kun je daar iets mee?
Vraag 3: Wanneer voelde je je niet/wel gezien? Hoe kwam dat?

‘Zien’

Toon Hermans schrijft in een gedicht:

“We zien niet wie wij zijn
de ogen en de mond misleiden
we leven van elkaar gescheiden
we zien niet wie wij zijn
we zien de blijheid of het treuren
we zien gebaren, vormen, kleuren
we zien niet wie wij zijn.
Verborgen blijft het menselijke licht
we zien niet wat we zien in een gezicht”

We lopen zo gemakkelijk aan elkaar voorbij. En als we kijken, zien we dan echt? Of zien we alleen de buitenkant, de gebaren, vormen, kleuren?

Vragen die door één zo’n klein detail, van het zien in het voorbijgaan, worden opgeroepen. In het evangelieverhaal valt er een toren op mensen. Zag God hen? In Exodus wordt God wakker als het volk roept en klaagt. Wanneer en waar is God zichtbaar als het je tegenzit, als het dreigend is in de wereld? Wat geweldig als er iemand is, zoals in Lucas een wijngaardenier, die hoe-dan-ook blijft zorgen.
Het is vandaag zondag ‘Oculi’, naar psalm 25: ‘Ik houd mijn ogen gericht op de Heer.’ Ziet God mij? Zie jij mij? Een song uit de jaren 70 van Adrian Snell zingt het zo: ‘It’s me there in the corner’ (…), ik zit in een hoek. Jullie zingen en praten over Jezus, maar jullie praten niet met mij.’

Adrian treedt nog steeds op, in april 2025 geeft hij verschillende concerten in Nederland. In deze song – die mij als scholier raakte en nu nog steeds raakt – vraagt hij om elkaar te zien. Kijk naar jezelf. Kijk naar jezelf en de ander met de ogen van God. Wees niet bang. Hij kijkt niet, hij ziet. Tot in je kern gekend.  ‘And I’ll be all right’. Zoals een beroemde Nederlandse filosoof zei:

Je gaat het pas zien, als je het doorhebt.

Share:

Exodus 6: 2 - 8

Mozes opnieuw geroepen

2God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER3Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb ik niet aan hen bekendgemaakt. 4Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. 5Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd. 6Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Met opgeheven arm zal ik jullie verlossen en de Egyptenaren zwaar straffen. 7Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. 8Ik zal jullie naar het land brengen dat ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ 

Exodus 6: 2 - 8

Mozes opnieuw geroepen

2God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER3Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb ik niet aan hen bekendgemaakt. 4Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. 5Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd. 6Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Met opgeheven arm zal ik jullie verlossen en de Egyptenaren zwaar straffen. 7Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. 8Ik zal jullie naar het land brengen dat ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ 

Lucas 13: 1 - 9

1Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers. 2Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? 3Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’

6Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit.” 8Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, 9misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’

Psalm 25

1Van David.

Naar u, HEER, gaat mijn verlangen uit,
2mijn God, op u vertrouw ik, maak mij niet te schande,
laat mijn vijanden niet triomferen.

3Zij die op u hopen worden niet beschaamd,
beschaamd worden zij die u achteloos verraden.
4Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.

5Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want u bent de God die mij redt,op u blijf ik hopen, elke dag weer.

6Denk aan uw barmhartigheid, HEER,
aan uw liefde door de eeuwen heen.
7Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd,
maar denk met liefde aan mij
en laat uw goedheid spreken, HEER.

8Goed en rechtvaardig is de HEER:
hij wijst zondaars de weg,
9wie nederig zijn leidt hij in het rechte spoor,
hij leert hun zijn paden te gaan.

10Liefde en trouw zijn de weg van de HEER
voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden.
11Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld,
omwille van uw naam.

12Aan wie in ontzag voor hem leven,
leert de HEER de rechte weg te kiezen.
13Hun leven verloopt in voorspoed
en hun kinderen zullen het land bezitten.

14De HEER is een vriend van wie hem vrezen,
hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond.
15Ik houd mijn oog gericht op de HEER,
hij bevrijdt mijn voeten uit het net.

16Keer u tot mij en wees mij genadig,
ik ben alleen en ellendig.
17Mijn hart is vol van angst,
bevrijd mij uit mijn benauwenis.

18Zie mij in mijn nood, in mijn ellende,
vergeef mij al mijn zonden.
19Zie met hoe velen mijn vijanden zijn,
hoe ze mij dodelijk haten.

20Behoed mij en bevrijd mij,
maak mij niet te schande, want ik schuil bij u.
21Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren,
op u is mijn hoop gevestigd.

22God, verlos Israël,
verlos het van al zijn angsten.