Avond en twijfel

Ester 8: 3-17

Ester 8: 3-17 | Avond en twijfel
oktober 5, 2025
Suzan & Freek
Ester 8: 3-17
Janos Schellevis
Gebruik in de dienst: Na de preek
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: Is de avond voor jou ook wel eens een moeilijk moment? Zijn het uren waarop de twijfel over je keuzes in het leven of iets anders kan toeslaan?
Vraag 2: Wat doe je dan in die uren? Blijf je twijfelen en piekeren of besef je dat het ook met de avond te maken heeft en je er morgen weer frisser tegen aan kijkt?
Vraag 3: Luister eens naar het lied van Suzan & Freek en vindt moed omdat ze toch weer gingen optreden. En ga met hen meezingen: ‘Geef me stukjes toekomst!’, zoals in deze uitvoering van Concert at Sea gebeurt….!

‘Avond en Twijfel’

Soms dwingt het leven ons tot stilstand. Door ziekte, verlies, onzekerheid. Dat overkwam Freek, van het duo Suzan & Freek. Ze stopten met optreden — een begrijpelijke keuze omdat Freek uitgezaaide longkanker heeft, maar ook een pijnlijke. Want muziek was hun stem, hun verbinding, hun vreugde. En toen ze het te veel gingen missen, kozen ze ervoor om tóch weer te zingen. Niet omdat alles opgelost was, maar omdat ze voelden: dit is wie we zijn. Dat is geen zwakte. Dat is kracht.

In het Bijbelverhaal van Ester zien we iets soortgelijks. Ook daar is er dreiging, pijn, stilstand. Er is een decreet uitgevaardigd dat haar Joodse volk eraan zal gaan. En Ester kan als koningin met koning Ahasveros spreken en vragen om er van af te zien. Maar ze mag niet onuitgenodigd naar de koning toestappen, dan is er een risico dat ze gedood wordt. Toch kiest Ester ervoor om hem aan te spreken. Ze stapt naar de koning, niet voor zichzelf, maar voor haar volk. En wat eerst uitzichtloos leek, keert om. Er komt ruimte voor leven, voor feest, voor verbondenheid.

Suzan & Freek zingen “Ik kan het niet hebben als het avond is / Oh want ’s avonds mis ik je vaak” Deze regels raken aan het gevoel van verlies en verlangen dat ook voorafgaat aan de redding in Ester. De dreiging hing als een schaduw over het volk (en over Ester) — en de avond symboliseert die kwetsbare, stille momenten waarin de pijn het meest voelbaar is. Ook zingt het duo “Nu sta je hier weer voor me / Ik twijfel geen seconde” Net als Ester en Mordechai die samen opstaan, is er in het lied een moment van hernieuwde ontmoeting. De twijfel maakt plaats voor vertrouwen.

Ester stapt met steun van Mordechai op de koning af en vraagt hem uiteindelijk om een ander koninklijk decreet en nu vóór de Joden te mogen schrijven, dat ze zich mogen verdedigen als ze aangevallen worden. En dat decreet komt er en in hoofdstuk 9 lezen we dat de Joden daarin slagen en daarna met rust gelaten worden. Het lied van Suzan & Freek gaat verder: “Zeg me dat het goed komt / Geef me stukjes toekomst” Deze zinnen sluiten prachtig aan bij het slot van Ester 8, waar de Joden feest vieren vanwege de betere tijd die er aan komt. Wat uiteindelijk gevierd gaat worden met het Poerimfeest, wat ieder jaar nog steeds een belangrijk feest is.

Laat dit lied klinken als een ode aan wie durft terug te keren. Aan wie niet opgeeft. Aan wie, ondanks alles, blijft zingen.

Share:

Ester 8: 3-17

Bevelschrift ten gunste van de Joden

3Opnieuw wendde Ester zich tot de koning. Huilend viel ze aan zijn voeten en smeekte hem het verderfelijke plan te verijdelen dat Haman, de nakomeling van Agag, tegen de Joden had beraamd. 4De koning stak Ester de gouden scepter toe, waarna ze opstond, voor de koning ging staan 5en zei: ‘Als het de koning goeddunkt en hij mij goedgezind is, als het de koning juist lijkt en hij op mij gesteld is, laat er dan een schrijven uitgaan dat de brieven herroept die geschreven zijn door Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, waarin zijn plan staat om in alle provincies van het rijk de Joden uit te roeien. 6Want hoe zou ik het onheil dat mijn volk treft kunnen aanzien? Hoe zou ik het uitroeien van mijn familie kunnen aanzien?’ 7Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester en tegen de Jood Mordechai: ‘Hamans bezittingen heb ik al aan Ester gegeven en hijzelf is aan de paal gehangen omdat hij de Joden om het leven wilde brengen. 8Stel nu zelf, in naam van de koning, een verordening op schrift die volgens u in het belang van de Joden is, en verzegel die met de koninklijke zegelring. Want wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning kan niet worden herroepen.’

9Meteen daarna, op de drieëntwintigste dag van de derde maand, de maand siwan, werden de schrijvers van de koning ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Mordechai het wilde en dat gericht was aan de Joden, aan de satrapen en de gouverneurs, en aan de hoofden van alle provincies, van India tot Nubië, honderdzevenentwintig provincies. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal, ook voor de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. 10Mordechai liet dit bevel schrijven in naam van koning Ahasveros en verzegelde het met de zegelring van de koning. Door boden die snelle paarden bereden, gefokt in de koninklijke stoeterij, liet hij brieven verspreiden 11waarin stond dat de koning de Joden in alle steden het recht gaf om zich aaneen te sluiten en hun leven te verdedigen; iedere groep gewapenden van welk volk of uit welke provincie ook die hen en hun vrouwen en kinderen zou willen aanvallen, mochten ze tot de laatste man doden, en hun bezittingen mochten ze buitmaken. 12In alle provincies van koning Ahasveros zou dit recht gelden voor één bepaalde dag, en wel de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar. 13In alle provincies moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt worden, zodat de Joden zich tegen de genoemde dag gereed konden houden om zich op hun vijanden te wreken. 14Op bevel van de koning vertrokken de boden op hun snelle, koninklijke paarden met de grootste spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd.

15Mordechai verliet de koning in een koninklijk gewaad van fijn linnen, blauwpurper en wit van kleur, en hij droeg een grote gouden kroon en een roodpurperen mantel van byssus. De stad Susa juichte en was opgetogen. 16Voor de Joden brak er een tijd aan van licht en vreugde, blijdschap en eer. 17In alle provincies en in alle steden heerste onder de Joden vreugde en blijdschap zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden; er werden maaltijden aangericht en er werd feest gevierd. En uit alle volken van het land sloten zich velen bij de Joden aan, want angst voor de Joden had zich van hen meester gemaakt.