Daniël 5: 1-20 | Wat blijft er over?
augustus 10, 2025
Johnny Cash
Daniel 5: 1-20
Birgit Jaarsma
Gebruik in de dienst: na de overdenking
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: In het verhaal van Belsazar wordt het heilige achteloos gebruikt voor eigen vermaak. Zijn er in jouw leven dingen die je ooit als heilig beschouwde, maar die je nu misschien vanzelfsprekend of oppervlakkig bent gaan behandelen? Wat zou je willen herstellen?
Vraag 2: Daniël spreekt de waarheid tegen de koning, ook al is het ongemakkelijk. Durf jij eerlijk te kijken naar de staat van je eigen leven of geloof? En wie mag jou daarin aanspreken — zachtmoedig, maar wel echt?
Vraag 3: Het lied ‘Hurt’ ademt spijt over keuzes uit het verleden, maar ook een verlangen naar oprechtheid. Zijn er delen van jouw verhaal die je moeilijk vindt om onder ogen te komen — en zou je daarin misschien ook Gods stem kunnen horen?
Vraag 4: Cash zingt: “If I could start again... I would keep myself.” Wat betekent dat voor jou: jezelf bewaren? Waarin dreig je jezelf soms kwijt te raken — en wat helpt je om jezelf terug te vinden, ook in geloof of gebed?

‘Wat blijft er over?’

Soms zijn er van die momenten in je leven die je stilzetten. Je kunt er niet omheen, hoe graag je ook verder zou willen. Je zit misschien op je werk, of aan tafel thuis, of je bent op een verjaardag — en dan ineens: een vraag die je raakt, een opmerking van je kind, een bericht over iemand die ernstig ziek is. Iets wat je even ontregelt. Je dacht dat alles goed ging. En toch schuurt er iets. Zo’n soort moment komt ook voor in het Bijbelverhaal van vandaag.

Koning Belsazar is bezig met een feest. Alles is groots. Hij haalt zelfs de gouden en zilveren bekers tevoorschijn uit de tempel van Jeruzalem. Bekers die bedoeld waren voor de eredienst — voor God. En hij gebruikt ze voor zijn wijn. Hij leeft alsof hij niets en niemand boven zich hoeft te erkennen. Alsof alles van hem is. Tot er opeens een hand verschijnt. En er woorden op de muur worden geschreven. Dat is het moment waarop het feest stilvalt. Het moment waarop alles verandert.

Niemand weet wat de woorden betekenen. Maar iedereen voelt: dit gaat ergens over. Misschien herken je dat. Je leeft door, je werkt hard, je zorgt — voor je gezin, voor je ouders misschien, voor collega’s, voor wie je dierbaar zijn. Je doet je best. En tegelijk zijn er soms die momenten van stilte. Of leegte. Momenten waarop je jezelf afvraagt: Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Hoe ben ik hier terechtgekomen? Wat doet ertoe, als je de ruis even weghaalt?

Het lied ‘Hurt’ van Johnny Cash raakt precies aan die kant van het leven. Hij zingt als iemand die alles heeft meegemaakt. Succes, verslaving, liefde, verlies. En hij kijkt terug, eerlijk en rauw:

“What have I become, my sweetest friend?
Everyone I know goes away in the end.”

Vertaling:
“Wat ben ik geworden, mijn liefste vriendin?
Iedereen die ik ken, gaat uiteindelijk weg.”

Het is geen vrolijk lied. Het is een lied van iemand die terugkijkt, en tegelijk iets wil bewaren van wat echt is. Hij zingt:

“If I could start again, a million miles away
I would keep myself, I would find a way.”

Vertaling:
“Als ik opnieuw kon beginnen, miljoenen kilometers verderop,
zou ik mezelf behouden, ik zou een manier vinden.”

En dat raakt iets. Want wie van ons kent dat niet? Die momenten waarop je denkt: Als ik eerlijk ben, wil ik niet terug naar hoe het ging. Ik wil iets anders. Iets diepers. Iets echter. Misschien wel: dichter bij God. Dichter bij wie je zelf bent.

Daniël wordt in het verhaal erbij geroepen als alles stilgevallen is. En hij zegt tegen Belsazar: je had kunnen weten hoe het zat. Je kent het verhaal van koning Nebukadnezar. Je had kunnen leren. Maar je koos om weg te kijken. En nu… zijn je dagen geteld. Je bent gewogen, en te licht bevonden.
Dat klinkt hard. Maar het is misschien ook eerlijk. Soms moet iets ons stilzetten, voordat we onszelf onder ogen kunnen komen. Soms is oordeel geen straf, maar een spiegel.
En het mooie is: het verhaal is niet bedoeld om je klein te maken, maar om je wakker te maken.

Om je eraan te herinneren dat je leven van waarde is. Dat er iets is wat groter is dan jijzelf. En dat God je roept — niet om je te veroordelen, maar om je terug te brengen naar wat telt.
Dat is genade. Dat zelfs op de muur van je leven, waar je zelf niet meer uitkomt, iets kan verschijnen dat je opnieuw op het spoor zet.

Share:

Daniël 5: 1-20

Het feestmaal van Belsassar

1Op zekere dag richtte koning Belsassar voor zijn duizend machthebbers een groot feestmaal aan, en in gezelschap van deze machthebbers dronk hij wijn. 2Beneveld door de wijn gaf Belsassar opdracht de gouden en zilveren bekers tevoorschijn te halen die zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had meegenomen, opdat de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen daaruit konden drinken. 3Men haalde de gouden bekers die uit de tempel van Jeruzalem, het huis van God, waren meegenomen en de koning en zijn machthebbers, zijn hoofdvrouwen en bijvrouwen dronken eruit. 4Ze dronken wijn en prezen hun goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. 5Terwijl ze dat deden verschenen er vingers van een mensenhand die iets op het pleisterwerk van de wand van het koninklijk paleis schreven, precies tegenover de luchter, zodat de schrijvende hand goed zichtbaar was voor de koning. 6De koning trok bleek weg, in verwarring gebracht door zijn gedachten. Hij stond te trillen op zijn benen en zijn knieën knikten. 7Luidkeels riep hij om de bezweerders, de Chaldeeën en de waarzeggers. De koning richtte zich tot de wijzen van Babylonië: ‘Wie deze tekens kan lezen en mij kan zeggen wat er staat, zal in purper gekleed worden, een gouden keten om zijn hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’ 8Alle wijzen van de koning traden naar voren, maar zij konden de tekens niet lezen en de koning niet zeggen wat er stond. 9Koning Belsassar was daarover zeer ontdaan, zijn gezicht werd nog bleker, en ook zijn machthebbers waren onthutst.

10Het rumoer van de koning en zijn machthebbers had de koningin naar de feestzaal gebracht. Zij zei: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Laten uw gedachten u niet in verwarring brengen, het is niet nodig zo bleek te worden van schrik. 11Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden woont. In de dagen van uw vader bewees hij al evenveel verstand, inzicht en wijsheid te bezitten als de goden. Koning Nebukadnessar, uw vader, heeft hem benoemd tot hoofd van de magiërs, bezweerders, Chaldeeën en waarzeggers – uw vader, majesteit! 12Deze Daniël, die door de koning Beltesassar werd genoemd, beschikt over een buitengewone begaafdheid, en over kennis en verstand, waardoor hij dromen kan uitleggen, raadsels kan oplossen en knopen ontwarren. Ontbied daarom Daniël, hij zal u vertellen wat er staat.’

13Vervolgens werd Daniël voor de koning geleid. De koning zei tegen hem: ‘Dus u bent Daniël, een van de Judese ballingen die de koning, mijn vader, uit Juda heeft gevoerd? 14Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont, en dat u over veel verstand, inzicht en wijsheid beschikt. 15De wijzen en bezweerders zijn bij mij gebracht om deze tekens te lezen en mij te vertellen wat er staat. Maar zij kunnen mij niet zeggen wat de woorden betekenen. 16Ik heb over u gehoord dat u duidingen kunt geven en knopen ontwarren. Welnu, als u de tekens kunt lezen en mij kunt zeggen wat er staat, zult u in purper gekleed worden, een gouden keten om uw hals dragen en als derde in rang over het koninkrijk regeren.’

17Daniël antwoordde de koning: ‘U mag uw kostbare geschenken houden, of ze aan een ander geven. Maar ik zal de tekens voor de koning lezen en hem zeggen wat er staat. 18Majesteit – God, de Hoogste, heeft uw vader Nebukadnessar koninklijke macht, aanzien, eer en majesteit geschonken, 19en door zijn van God gegeven grootheid beefden alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, van ontzag voor hem. Hij doodde wie hij wilde en liet leven wie hij wilde. Hij verhief wie hij wilde en vernederde wie hij wilde. 20Maar toen hij hooghartig en overmoedig werd, is hij van zijn koningstroon gestoten en is zijn eer hem ontnomen.