‘In tranen op weg…’
Psalm 126 wordt vaak gehoord als een lied van herstel. Lachen keert terug, de mond wordt weer vol vreugde. Wie met tranen zaait, zal jubelend oogsten. Het is een psalm die toekomst schetst. Tegelijkertijd kan hij precies daardoor pijnlijk ver af staan van mensen voor wie die toekomst nooit lijkt te beginnen.
Want deze psalm kent óók een andere toon. Tussen herinnerde bevrijding en beloofde vreugde klinkt een leegte: Keer ook nu ons lot, bidt de psalm. Het herstel is er nog niet. Er wordt gezaaid terwijl er gehuild wordt. Dat beeld is geen overwinning, maar volharding: doorgaan terwijl het leven zwaar blijft.
Daar raakt Psalm 126 aan All My Tears van Ane Brun. Dat lied weigert de ellende rond te maken. Er is geen ommekeer, geen afronding. Alleen de constatering dat tranen er zijn en niet ophouden te zijn. Het lied staat niet aan het einde van een proces, maar middenin een bestaan dat zichzelf steeds opnieuw moet dragen.
Voor mensen die hun hele leven ellende kennen, kan de belofte van “ooit oogsten” leeg klinken. Wat als het leven één lange zaaitijd blijft? Wat als de tranen niet een fase zijn, maar een metgezel?
Misschien vraagt Psalm 126 dan om anders gehoord te worden. Niet als morele les “houd vol, dan word je beloond”, maar als een eerbiedige blik op mensen die blijven zaaien terwijl ze huilen. Zaaien wordt hier geen teken van optimisme, maar van trouw. Van overleven. Van mens-zijn onder druk. Heilige grond.
In dat licht is hoop niet dat alles goed komt, maar dat deze tranen tellen. Dat niemand hoeft te doen alsof ze zullen stoppen. Dat God niet pas bij het gejuich aanwezig is, maar al bij de natte handen in de akker.
Sommige liederen eindigen niet. Ze worden gedragen.