‘Hoe dichtbij mag God komen?’
De Petruskalender reikt ons voor deze 4e zondag van Advent een klein gedeelte aan uit de Bergrede. Die Jezus die wij verwachten, waarom komt hij eigenlijk? Wat komt hij doen? Het is alsof de Petruskalender die vraag voor deze zondag eens wil adresseren. En daarmee belanden we zomaar in een oude theologische discussie. Even heel plat en kort door de bocht: of met de komst van Jezus het Oude Testament er niet meer toe doet voor hen die zich christenen gaan noemen…. Nou nee, dus. Jezus is er duidelijk over. Hij komt niet om dat allemaal van tafel te vegen (los te maken, te ontbinden), maar om de eigenlijke betekenis van de Wet weer op tafel te krijgen. En ‘doenbaar’ te maken. Heb trouwens in de gaten dat er níet staat: ‘de Wet en de profeten’, maar ‘de Wet OF de profeten’. Vervolgens gaat het dan over de wet. Die niet wordt losgemaakt, afgeschaft – maar juist vol wordt gemaakt. En laten we ons ook hierin niet vergissen: Jezus heeft het over de Thora, niet alleen over ‘De Tien Geboden’ die we in de kerk als ‘wetslezing’ hebben overgehouden. Jezus laat ons weten dat we het Koninkrijk van de hemel echt niet binnenkomen wanneer onze ‘gerechtigheid’ niet groter is dan die van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Als de Thora de basis vormt voor het ‘goede leven’ (of het eeuwige leven, of het ‘koninkrijk van de hemel’), dan is de essentie daarvan nog altijd onverminderd van kracht, zegt Jezus.
Oké, dit alles gezegd hebbend…. Joan Osborne bracht in 1995 een nummer uit dat een verpletterende indruk op me maakte. ‘One of us’ begint met het zingen van het eerste couplet van een heel oud christelijk lied, Heavenly Airplaine (1937). Het idee van dat lied is dat op de jongste dag de Heer terugkomt om je op te halen met zijn hemelse vliegtuig. De oude wereld schudt dan op zijn grondvesten…. Er zit een waarschuwing in, dat je wel goed op moet letten, je daarvoor klaar moet maken en zo je kaartje voor die reis moet zien te bemachtigen. Dat geldt trouwens zowel voor zondaren als voor heiligen. En dan komt Joan Osborne vervolgens met de vraag: maar wat als God er uit zou zien, zoals wij zelf…? Hier en nu te ontmoeten? Zouden we God dan wel herkennen, zouden we dat gezicht van God wel willen zien (wanneer zien zou betekenen dat je ook moest geloven in dingen als de hemel, en Jezus en de heiligen en de profeten…). Zouden we het gesprek willen aangaan? Wat als God, net als wijzelf, gewoon probeert Thuis te komen, maar uiteindelijk eenzaam in de hemel terugkeert? Omdat niemand met hem/haar is mee gekomen….? We kunnen wel blijven roepen dat God geweldig is en dat God goed is…. Maar wat zijn dat voor lege woorden wanneer we God eenzaam achterlaten in deze wereld. Osborne haalt God heel menselijk dichtbij en vraagt zich af of wij ons eigenlijk echt iets aantrekken van die ontmoeting, wanneer dat ons uit ons gewone doen zal halen. Is dat ook niet wat Jezus ons voorhield met zijn woorden over de richtingwijzers van God?