Vissers van mensen

Mattëus 4: 12-22

Matteüs 4: 12-22 | Vissers van mensen
januari 25, 2026
Reb Fountain
Mattëus 4: 12-22
René Coster
Gebruik in de dienst: Kyrié/na de schriftlezing, of juist rond de voorbedes
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: Wat roept het beeld van “vissers van mensen” bij jou op? Is het een aantrekkelijk beeld, of juist confronterend? Waarom?
Vraag 2: Wie spoelt er vandaag aan op de kusten van jouw leven? Denk aan mensen of situaties die jouw aandacht vragen. Hoe reageer je daarop?
Vraag 3: Wat betekent het voor jou om uit je ‘veilige boot’ te stappen? Welke angsten of zekerheden houden je soms tegen om in beweging te komen?
Vraag 4: Hoe hoor jij vandaag de roep van Jezus: “Kom, volg Mij”? In welke concrete keuzes of daden zou dat zichtbaar kunnen worden?
Vraag 5: Waar zie jij hoop in een wereld die soms in brand lijkt te staan? Hoe kun jij zelf een teken van hoop zijn voor anderen?
Vraag 6: Wat helpt jou om niet weg te kijken van pijn en nood, maar toch hoop en vertrouwen te bewaren?

‘Vissers van mensen’

Aan het meer van Galilea roept Jezus vissers op om hem te volgen: “Kom, volg Mij, Ik zal van jullie vissers van mensen maken.” Het klinkt eenvoudig, bijna idyllisch: vissers die hun netten achterlaten om een nieuw leven te beginnen. Maar wat betekent dat vandaag, in een wereld zoals de onze? Een wereld die soms in brand lijkt te staan, waar wereldleiders over elkaar heen buitelen.

De zangeres Reb Fountain vertelde in een interview dat ze haar lied Fisherman schreef nadat ze in 2015 de foto zag van Alan Kurdi, het tweejarige jongetje dat dood aanspoelde op een Turks strand. Ze grijpt terug op het bijbelse beeld van vissers van mensen. Haar lied legt pijn bloot: “Little lord’s children washing up in waves… hanging our heads on their unmarked graves.” Het is rauw, confronterend. Wij zien de golven, maar sluiten vaak onze ogen voor de mensen erin. Terwijl de roep van Jezus niet alleen toen klonk, maar ook nu. Wat betekent die roep in deze tijd?

Vissers van mensen, het zijn geen romantische figuren. Het vraagt moed om uit onze veilige boten te stappen, om niet weg te kijken van de nood die op onze stranden aanspoelt. Misschien begint Jezus’ oproep tot navolging wel met een eenvoudige vraag: wie spoelt er vandaag aan op de kusten van mijn leven? Wie vraagt om mijn net, mijn hand, mijn stem?

Want Jezus’ roep klinkt nog steeds: “Kom, volg Mij.” Niet om macht te verzamelen, maar om dienaar te zijn. Niet om grenzen te bewaken, drijvend op de golven van het eigen gelijk, maar om mensen niet verloren te laten gaan, verloren in de diepe zeeën van deze tijd. Jezus volgen is profetisch, rauw, en soms ontluisterend. Maar wie zijn netten uitgooit in vertrouwen, zal ontdekken dat er altijd hoop is: dat er in elke golf een glimp van nieuw leven schuilt.

Share:

Matteüs 4: 12-22

Begin van Jezus’ verkondiging
 
12Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. 13Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
 
18Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. 21Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem.