Johannes 4: 5-26 | Verlangen
maart 8, 2026
Claudia de Breij
Johannes 4: 5-26
Meindert Burema
Gebruik in de dienst: Na de lezing
We hebben een aantal vragen voor je bedacht om verder na te denken over deze overdenking.
Vraag 1: Kom je wel eens in gesprek met jongeren van een andere bevolkingsgroep?
Vraag 2: Welke voorwaarden zou jij kunnen bedenken om je verlangens te realiseren?
Vraag 3: Hoe vind je de houding van Jezus in deze ontmoeting?

‘Verlangen’

Verlangen(s) kun je nooit afdwingen. Wel kun je er voorwaarden voor bedenken, die het realiseren van een verlangen een handje kunnen helpen. Dat vindt ook nu plaats in een (van de vele) ontmoetingen die Jezus met gewone mensen heeft. Hier gaat het om een ontmoeting van twee mensen uit geheel verschillende werelden. Jezus, een Jood, treft bij een bron deze Samaritaanse vrouw. Hun verschillende roots werden in die tijd beleefd als `water en vuur`. Joden liepen het liefst met een grote boog om Samaria heen. Samaritanen hielden er immers een eigen, bizarre religie op na.

De Samaritaanse vrouw schrikt van Jezus. Ze is verbaasd dat die man haar aanspreekt. Daar bij een bron en ook nog eens op het heetst van de dag. Rondom die tijd was zij er altijd alleen. Na de schrik zie je bij haar het verlangen omhoog borrelen. Ze voelt zich door Jezus gekend. Voor haar een totaal nieuwe ervaring. Deze vreemde man die haar respectvol tegemoet komt. En zo ontstaat er een ontroerend geloofsgesprek.

De termen die Jezus in deze ontmoeting gebruikt? Ze moet er stevig op kauwen. Hoe is het mogelijk dat hij ook haar verleden kent… En dan ook nog eens een belofte van levend water. Dat heeft iets dynamisch. Er gloort perspectief. Haar verlangen om dat te mogen proeven versterkt haar verlangens. Hun geloofsgesprek gaat verder de diepte in.

Wat kunnen wij daar veel van leren: elkaar respectvol tegemoet treden en oprecht belangstellend zijn naar elkaars wijze van leven en geloven.

Share:

Johannes 4: 5-26

5Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 

16Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19Daarop zei de vrouw: ‘Ik begrijp dat U een profeet bent, heer. 20Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22Jullie vereren wat je niet kent, wij vereren wat we kennen; de redding komt immers van de Joden. 23Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ 25De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen,’ (dat betekent ‘gezalfde’) ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’