‘Een wereld te leen’
Wanneer iemand je tijdens zijn vakantie de huissleutel geeft en vraagt om voor de planten, de post en misschien ook de kat te zorgen, betekent dat niet dat het huis ineens van jou is. Je mag er naar binnen, je krijgt verantwoordelijkheid en er wordt op je vertrouwd. Maar je blijft te gast in het huis van een ander.
In de Bijbelteksten van vandaag gebeurt iets vergelijkbaars. God legt een wijngaard aan. Hij kiest goede grond, haalt de stenen weg, plant wijnstokken en bouwt een wachttoren. Daarna vertrouwt Hij de wijngaard toe aan mensen. Zij mogen erin wonen en werken en van de opbrengst genieten. Maar gaandeweg vergeten zij dat de wijngaard hun is toevertrouwd. Ze gaan zich gedragen alsof alles van henzelf is.
Misschien is dat ook onze menselijke vergissing. Wij spreken over ons huis, onze kerk, ons land en onze wereld. We spreken zelfs over ons leven alsof het ons bezit is. Maar wat als wij het leven niet bezitten? Wat als de wereld ons voor een tijdje is toevertrouwd, zoals een huissleutel die iemand in onze hand legt?
Louis Armstrong kijkt in What a Wonderful World om zich heen en ziet bomen, bloemen, luchten, mensen die elkaar begroeten en kinderen die opgroeien. Hij bezingt geen volmaakte wereld. Het lied verscheen in een tijd van oorlog, racisme en grote maatschappelijke onrust. Armstrong wist heel goed dat de wereld niet alleen maar mooi was. Toch bleef hij kijken naar wat er groeide, bloeide en mensen met elkaar verbond.
Misschien begint verantwoordelijkheid wel met zo kijken. Wie de wereld alleen als bezit beschouwt, vraagt wat hij eruit kan halen. Wie haar als een wonder ontvangt, vraagt hoe hij ervoor kan zorgen.
Jesaja vertelt dat God in zijn wijngaard goede vruchten zoekt. Hij zoekt recht, maar vindt onrecht. In de gelijkenis van Jezus willen de pachters de opbrengst voor zichzelf houden. Paulus laat zien hoe het ook kan: leef zo dat je als een licht in de wereld schijnt.
Een wonderlijke wereld blijft niet vanzelf wonderlijk. Zij heeft mensen nodig die weten dat zij geen eigenaar zijn, maar tijdelijke bewoners. Mensen die verzorgen wat kwetsbaar is, delen wat groeit en licht brengen waar het donker is.
De vraag is daarom niet alleen of wij met Louis Armstrong kunnen zeggen: wat een wonderlijke wereld.
De vraag is ook: wat doen wij met het wonder dat ons is toevertrouwd?